Archeologie wordt achter de depotdeuren vandaan gehaald

De afgelopen jaren begint in de Nederlandse archeologie voorzichtig een ontwikkeling op gang te komen die voor meer beweging en openheid in de sector zorgt. Archeologie wordt langzaam maar zeker achter de hekken en depotdeuren vandaan gehaald en gedeeld met het grote publiek: publieksarcheologie. De redenen hiervoor kunnen ter inspiratie dienen voor de hele cultuursector, net als de manier waarop dit gebeurt.

Geschreven door Lara Boon en Robin Hoeks, september 2017

Publieksarcheologie

Maar wat is publieksarcheologie precies? In de meest brede zin is het alle archeologie die zich op de een of andere manier met het publiek bezighoudt. Je kunt hierbij denken aan een rondleiding in een archeologisch museum. Een televisieprogramma over archeologie, denk aan het Britse Time Team, dat twintig jaar is uitgezonden, of de twee seizoenen van het Brabantse Spoorzoeker. Of een visualisatie van archeologische vondsten in een stad. Voorbeelden waar minder snel aan gedacht wordt zijn de studie archeologie, het onderzoek naar de discipline ‘archeologie’ in zijn historische context en archeologie die wordt uitgevoerd door de publieke sector, bijvoorbeeld in opdracht van gemeenten.

Vanuit het Verenigd Koninkrijk is ook een wat smallere definitie van publieksarcheologie de oceaan overgewaaid. Hier draait het dan met name om wat je actieve publieksarcheologie zou kunnen noemen: archeologie dóór en mét het publiek. Zo zijn lokale archeologische gemeenschappen een uitstekend voorbeeld van archeologie door het publiek. Elke zomer wordt weer een stukje van de dorpsgeschiedenis blootgelegd door middel van een archeologische opgraving.

Wat spannender misschien voor professionele archeologen zijn archeologische projecten waarbij direct samengewerkt wordt met het publiek. In Nederland gebeurt dit nog weinig. ‘Nijmegen Graaft!’ in 2014 en ‘Schat van Dalfsen’ in 2017 zijn de schaarse grootschalige voorbeelden, maar het Verenigd Koninkrijk heeft hier inmiddels een rijke traditie in. In dit soort grote projecten werken enthousiaste amateurs samen met archeologische professionals.

Kinderen graven mee tijdens Nijmegen Graaft! Bron Nijmegen Graaft!

Kinderen graven mee tijdens Nijmegen Graaft! Bron Nijmegen Graaft!

Dit doet wel een flink beroep op de professionals. Allereerst natuurlijk het vertrouwen in de vrijwilligers. Het toelaten van, grotendeels, ongeschoolde krachten tijdens een nauwkeurig geplande opgraving voelt als een ouder die zijn/haar kind voor het eerst in de gezinsauto laat rijden: ‘als dat maar goed gaat’. Daarnaast moeten de professionals zich realiseren dat ze er plots niet alleen maar voor de archeologie zijn, maar ook voor de vrijwilligers. Zo zal de ene vrijwilliger een stuk zelfstandiger kunnen werken dan de andere vrijwilliger. Terwijl de andere vrijwilliger weer meer verantwoordelijkheid neemt en weer een ander het graven zelf maar niets vindt, of dit niet kan, maar het wel enorm interessant vindt om archiefonderzoek te doen. Kortom, er komen een hele hoop nieuwe uitdagingen bij.

Professionals moeten zich realiseren dat ze er plots niet alleen maar voor de archeologie zijn, maar ook voor de vrijwilligers.
– Lara Boon en Robin Hoeks

Het belang van publieksarcheologie

Als het extra moeite kost, waarom zou je dan aan dit soort publieksarcheologie gaan doen? Dankzij sociologisch onderzoek dat gedaan is rond enkele grote Britse initiatieven, zoals het Dig Manchester-project dat liep van 2003 tot 2009, zijn hier een hoop antwoorden op te geven.

Cultuur, waaronder geschiedenis en archeologie, bevraagt wie we (willen) zijn. Het grote publiek hierbij betrekken zorgt ervoor dat zij hier een integraal onderdeel van worden. Zo worden ze van publiek eigenlijk aandeelhouders in hun eigen geschiedenis. Dit mondt vervolgens uit in een sterker gemeenschapsgevoel en een groter gevoel van trots op de gemeenschap, het belangrijkste gemeten effect in de Britse onderzoeken. Hier moet de kanttekening bij gemaakt worden dat het belangrijk is om in de gaten te houden dat het een inclusieve gemeenschap wordt. Gemeenschappelijke trots slaat maar al te makkelijk om in uitsluiting van anderen.

Andere belangrijke positieve effecten die uit deze onderzoeken komen zijn dat je mensen actief en naar buiten krijgt, mensen elkaar leren kennen, zich minder geïsoleerd voelen en meer zelfvertrouwen krijgen. Tot slot bleken een hoop mensen het ook gewoon leuk te vinden. Een recent onderzoek door het Europese NEARCH-samenwerkingsverband toonde aan dat 61% van de respondenten (uit 10 landen, met circa 500 personen per land) graag eens zelf mee zou willen doen aan een opgraving. Het is dan ook geen wonder dat dit soort publieksarcheologie in het Verenigd Koninkrijk inmiddels een beleidsinstrument is geworden.

Vaak staat hier de archeologie dan niet meer centraal, maar is het een onderdeel van een sociaal wijk- of dorpsproject, dat desalniettemin vaak nieuwe historische kennis over de plek oplevert.
- Lara Boon en Robin Hoeks

Deze vorm van publieksarcheologie betekent dat het belang van archeologie breder gezien en gedragen wordt. Voor een cultuursector die de afgelopen jaren zwaar geraakt is door bezuinigingen niet geheel onbelangrijk. Wat dit betreft biedt het NEARCH-onderzoek dat hierboven genoemd werd een wat confuus beeld: 90% van de respondenten beoordeelde archeologie als ‘zinvol’, terwijl maar 11% meende dat de discipline kon helpen het heden te begrijpen. Overigens is Nederland in het onderzoek niet zelden een negatieve uitschieter, genoeg werk aan de winkel dus.

Brabantse voorbeelden

In de brede zin van publieksarcheologie kent Brabant al een aantal goede voorbeelden. Bij de Kleine Beerze, een beekje in de buurt van Hoogeloon, staat bijvoorbeeld een kunstwerk van Huub de Kort dat een archeologische vondst markeert. Hier werd een groot aantal bronzen bijlen uit ca. 1800 tot 1000 voor Christus gevonden. Het kunstwerk beeldt de bijlen uit die uit het water van het beekje tevoorschijn komen. Een mooi voorbeeld van samenwerking tussen twee domeinen van de culturele sector.

Een ander voorbeeld is het zogenaamde Vorstengraf van Oss. Deze grafheuvel werd in 1997 herontdekt. Toen ontdekte men dat het hier eigenlijk om twee heuvels ging die bovenop elkaar lagen: een uit ca. 600 voor Christus en een oudere uit ca. 1800 voor Christus. Van de heuvels was met het blote oog niks meer zichtbaar, maar na de opgraving is er een gedeeltelijke reconstructie gemaakt, die ook de gelaagdheid van de heuvel goed laat zien.

 

Het Vorstengraf in Oss

Het Vorstengraf in Oss

Soortgelijke visualisaties vind je ook bij de grafheuvels van Toterfout-Halve Mijl (ca. 2000 – 1000 voor Christus) en de Romeinse grafheuvel in Hoogeloon. Beide zijn volledig gereconstrueerd om voorbijgangers een beeld te geven hoe het er destijds uit zag. Ook hier zou het interessant zijn samen te werken met andere domeinen van de cultuursector. Visualisaties zijn bij uitstek geschikt om deels te laten ontwerpen door designers of beeldend kunstenaars, al ligt het gevaar op de loer dat ze dan te abstract en onherkenbaar worden. Bij volledige reconstructies kan er ook culturele hulp ingeroepen worden. Zo wordt er in Engeland soms gebruik gemaakt van set designers uit de theater- en filmwereld om, met historiciteit altijd als uitgangspunt, reconstructies en restauraties beter uit de verf te laten komen.

Het zichtbaar maken van archeologie vindt in Brabant al geregeld plaats. Hierbij mag wel een kanttekening gemaakt worden. Hoeveel mensen zien deze reconstructies en doen dan daadwerkelijk kennis van het verleden op? Zien mensen bijvoorbeeld een gereconstrueerd paalgraf of een rare heuvel met wat houten palen eromheen? Een informatiepaneel erbij zetten vervormt deze vraag alleen maar: hoeveel mensen lezen het paneel en wie zijn dat dan? Bovendien zal het mensen weinig leren over hoe archeologie zelf werkt.

Zien mensen bijvoorbeeld een gereconstrueerd paalgraf of een rare heuvel met wat houten palen eromheen?
- Lara Boon en Robin Hoeks

Om mensen écht te bereiken en de resultaten die hierboven beschreven zijn te behalen, zal de stap gemaakt moeten worden naar een actievere vorm van publieksarcheologie. Dergelijke initiatieven beginnen langzaam ook in Brabant te ontstaan. Zo was er een publieksopgraving in Kamp Vught, waar niet per sé het verkrijgen van archeologische kennis centraal stond, maar vooral de dialoog met de bezoeker. Op deze manier werd het een verkenning van de maatschappelijke betekenis en waarde van archeologie.

Ook de ArcheoHotspots zijn een uitstekend voorbeeld van actieve publieksarcheologie. Dit zijn plekken, vaak bij musea, waar mensen zelf mee kunnen helpen met archeologische werkzaamheden. In Brabant zijn er al ArcheoHotspots in Den Bosch en Eindhoven en binnenkort opent er een in het Oertijdmuseum in Boxtel. Het zou interessant zijn eens te experimenteren met samenwerkingen tussen publieksarcheologen en theatermakers. Of om publieksarcheologie in te zetten in buurtprojecten, zoals bij het Bergse Buurtcultuurfonds, waarbij ook al beeldend kunstenaars betrokken zijn.

Aan de slag bij het Oertijdmuseum in Boxtel

Aan de slag bij het Oertijdmuseum in Boxtel

Het begin van een transformatie

De Brabantse archeologie begint steeds meer een hechtere relatie aan te gaan met het publiek. In eerste instantie met name door het zichtbaar maken van vondsten door middel van visualisaties en reconstructies. Langzaam begint hier nu ook een onderdeel actieve publieksarcheologie bij te komen. Tijdens de Nationale Archeologiedagen, 13,14 en 15 oktober, kun je kennis maken met de facetten van archeologie in Nederland. In dat weekend worden de deuren geopend van allerlei (archeologische) instellingen om het publiek mee te nemen in de wereld van de archeologie. Bezoek de website om te zien wat er allemaal te doen is tijdens de Nationale Archeologiedagen.

Hopelijk is dit een ferme aanzet voor meer actieve publieksarcheologie in Brabant en nog meer samenwerking met andere takken van de cultuursector.

Lara Boon en Robin Hoeks


Dit artikel is in september 2017 verschenen op Mestmag.nl